- rühren
- rührenI 〈onovergankelijk werkwoord〉1 aanraken ⇒ komen aan2 ontstaan ⇒ voortspruiten, zijn oorzaak vinden3 〈figuurlijk〉aanroeren ⇒ spreken over♦voorbeelden:1 an einen wunden Punkt rühren • een teer punt aanroeren3 rühre nicht daran! • laat dat rusten!II 〈overgankelijk werkwoord〉1 (om)roeren2 (ver)roeren ⇒ bewegen3 (ont)roeren ⇒ vertederen, aandoen4 〈informeel〉slaan ⇒ treffen5 〈muziek〉roeren ⇒ slaan♦voorbeelden:3 jemandes Herz rühren • iemand ontroeren〈informeel; eufemistisch〉 ein menschliches Rühren verspüren • (a) (nodig) naar het toilet moeten; (b) honger hebben4 der Schlag hat ihn gerührt • hij heeft een beroerte gehad5 die Werbetrommel rühren • veel reclame makenIII sich rühren 〈wederkerend werkwoord〉1 zich (ver)roeren ⇒ zich bewegen♦voorbeelden:1 〈informeel〉 sich nicht rühren können • heel krap bij kas zitten〈informeel〉 ihr müsst euch mehr rühren • jullie moeten eens wat actiever wordensich nicht vom Fleck rühren • geen voet verzettensich rühren und regen • heel actief zijn〈leger〉 rührt euch! • op de plaats rust!
Wörterbuch Deutsch-Niederländisch. 2015.